Efteling Miniaturen Huis Hans en Grietje

Vorige Artikel 13 van 52 Volgende
€ 66,38 € 49,00 (inclusief 21% BTW)
Aantal

Hans en Grietje

Aan de rand van een groot bos woonde eens een houthakker met zijn vrouw en zijn twee kinderen. Het jongetje heette Hans en het meisje Grietje. Op een gure herfstavond, toen Hans en Grietje al in bed lagen, zat de houthakker met zijn vrouw aan tafel. De houthakker telde zijn laatste centen. 'Ik weet het niet meer, hoor', zuchtte hij. 'Hoe moeten we die arme kinderen te eten geven?' 'Er is maar één oplossing', zei de vrouw van de houthakker. 'We brengen Hans en Grietje heel ver het bos in. We geven ze ieder een stuk brood en dan laten we ze achter.’

Wat een gemeen plan! De vrouw was dan ook niet de echte moeder maar de stiefmoeder van Hans en Grietje. ‘Dat kan toch niet’, sprak de vader. ‘Hou je mond, we doen wat ik zeg’, zei de gemene vrouw. Hans had alles gehoord. De volgende dag gingen ze al vroeg op pad met alleen een stuk brood voor onderweg. 'Geef gauw je brood', fluisterde Hans tegen Grietje. 'Ik heb een plan, wees maar niet bang!' Hans bleef een beetje achter. Telkens gooide hij wat kruimeltjes op de grond. Zo zouden ze de weg terug naar huis kunnen vinden! Steeds dieper gingen ze het bos in. 'Rust hier maar even uit', zei de vrouw tegen de kinderen. 'Je vader en ik gaan hout hakken. Tot straks.' Hans en Grietje gingen op het mos zitten en zagen hun vader en stiefmoeder tussen de bomen verdwijnen. Langzaam kropen de uren voorbij. Ten slotte vielen Hans en Grietje op het vochtige mos in slaap.

Toen ze wakker werden, was het nacht. Ze waren helemaal alleen in het donkere woud. ‘Kom Grietje, we gaan naar huis’, zei Hans. Ze liepen en liepen en raakten aldoor meer verdwaald. Alle kruimeltjes waren weg; opgegeten door de vogels! Opeens werd de stilte verbroken door een geluidje. Hans en Grietje keken eens goed en zagen een huisje. En wat voor een huisje! Het dak bestond uit krakelingen en speculaas, bezaaid met pindarotsjes, zuurtjes en toverballen. De suikeren vensters glinsterden in het maanlicht, het deurtje was van zoethout en de stoep van marsepein met tumtummetjes. 'O Grietje', zei Hans, ‘wat een lekker eten!’ Hij brak een stuk speculaas van het dak en nam er een grote hap van. Grietje zei niets. Ze had haar mond zó vol met pindarotsjes, dat haar wangen er bol van stonden. Plotseling klonk er een stem vanuit het huisje.

'Knibbel Knabbel Knuisje, Wie knabbelt daar aan mijn huisje?'

Een oude vrouw kwam naar buiten geschuifeld, leunend op een knoestige stok. Ze had een grote kromme neus, een ingevallen mond met drie bruine tanden erin en ogen die gloeiden als kooltjes. 'Nee maar!', kraaide ze toen ze de kinderen zag staan. 'Waar komen jullie vandaan? Nou? Kom maar binnen, ik heb nog meer lekkers, hoor.’

Maar binnen was lang niet zo gezellig als Hans en Grietje verwacht hadden. De deur viel met een klap achter hen in het slot. De oude vrouw was een gemene heks. 'Hebbes, ik ga jou vetmesten en opeten’, zei ze tegen Hans. ‘Meisje, stop hem in die kooi!’ Huilend deed Grietje wat haar gezegd werd. Vele dagen gingen voorbij en elke dag zei de heks: 'Steek je vinger eens even tussen de tralies door, kereltje. Laat eens voelen hoe lekker dik en vet je al begint te worden!' Maar Hans stak de heks nooit zijn dikke vingertje toe. Hij keek wel uit. In het schuurtje had hij een dun takje gevonden, dat precies op een knokig vingertje leek en dat takje schoof hij voorzichtig tussen de tralies door. En de heks had zulke slechte ogen dat ze niets in de gaten had.

Maar op een dag had de heks er schoon genoeg van om te wachten. ‘Steek de oven eens aan, meisje.’ Grietje kreeg opeens een ander plan. Ze wachtte tot de heks de oven ging controleren. Daar deed ze de deur van de oven open. ‘Ja, dit is wel heet genoeg’, zei de heks. Dat was het moment. Grietje verzamelde al haar kracht en …gaf de heks een harde duw. Met een gil viel ze de oven in. Grietje rende meteen naar Hans om hem te bevrijden. 'Hansepansje, we zijn gered! Kom er maar uit!' Wat waren ze blij. Ze wilden gelijk weggaan, maar besloten nog even in het huisje te kijken op zoek naar handige spullen voor onderweg. Onder het bed van de heks vonden ze een zak vol parels en edelstenen. 'Dat is nog eens wat anders dan broodkruimeltjes!' riep Hans. 'En nu naar huis', zei hij. 'Maar hoe,’ vroeg Grietje, ‘we weten de weg niet.'

Ze was nog niet uitgesproken of daar kwam een grote zwerm vogeltjes aan. Het waren er wel honderd. ‘Wij hebben toen jullie broodkruimeltjes opgegeten. Dat spijt ons. We komen het goedmaken!’ De vogels vlogen voor Hans en Grietje uit en wezen zo de weg. 'Daar is ons huis!' juichte Hans. Hij nam Grietje bij de hand en ze renden zo hard ze konden. De houthakker huilde van geluk toen hij zijn kinderen terugzag. Dag en nacht had hij op een stoel bij het raam gezeten, verdrietig en beschaamd. Zijn vrouw, die niets meer met haar treurige man kon beginnen, had haar spullen gepakt en was kwaad weggelopen.

Zo liep alles toch nog goed af. De zorgen waren voorgoed voorbij. En de houthakker woonde, mét Hans en Grietje nog vele jaren in voorspoed en geluk in zijn dierbare huisje in het bos!

© 2012 - 2018 bibbi4you | sitemap | rss | webwinkel beginnen - powered by Mijnwebwinkel
Deze website maakt gebruik van cookies. Accepteren Meer informatie